Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen; de wetten betreffende besmettelijke ziekten), slechts vier gevallen van geoorloofde vrijheidsrooving bekend, n.1. de beide straffen — gevangenis en hechtenis — de preventieve hechtenis en het dwanggeleide van art. 41 W. v. Sv. Iemand van zijne vrijheid berooven kan de politie dus niet.

Verder zal de politie eene belemmering vinden bij haar optreden in art. 284 W. v. S., hetwelk verbiedt iemand door geweld of eenige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of eenige andere feitelijkheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Van geoorloofd geweld wordt alleen gesproken in art. 186 Gem. Wet.

Zoo is ook doodslag en mishandeling verboden, waardoor het gebruik van geweld der politie eveneens onmogelijk wordt gemaakt.

Is het noodig nog meer voorbeelden van wettelijke verboden aan te halen om aan te toonen, dat de door ons bestreden leer een zeer onschuldig karakter aanneemt, als men aan die leer toevoegt de bepaling: mits de politie maar niets doe wat verboden is?

Niet, wat is der politie verboden, maar waartoe is zij bevoegd, dat is de vraag, waarop het aankomt en welke wij in het volgende Hoofdstuk zullen beantwoorden.

Deze paragraaf zullen wij besluiten met eene opmerking de lege ferenaa, na eerst nog even gewezen te hebben op een paar onjuistheden, die er naar onze bescheiden meening in de jongste politielitteratuur voorkomen.

Sluiten