Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het voorloopig verslag van de He Kamer op de begrooting van Justitie voor 1903 was protest aangeteekend tegen het beroep op de Grondwet , in de postenorder gedaan ter verdediging van de stelling, aan het begin dezer paragraaf vermeld. In de memorie van antwoord komt de Minister van Justitie tegen dat protest op. „Immers," schrijft Z.Ex., „art. 4 der Grondwet zegt ieder, die zich op Nederlandsch grondgebied bevindt, bescherming toe van persoon," „en nu ligt het toch in de eerste plaats op den weg" van de politie, eene instelling, van de erkenning van welker bestaan wordt uitgegaan „bij wettelijk voorschrift (Gemeentewet en Koninklijk Besluit dd. 17 Dec. 1851 en dd. 17 Nov. 1856 Staatsblad n°. 1(56 en 114)", „te verhinderen, dat de bepaling van art. 4 der Grondwet voor sommige personen door anderen wordt gemaakt tot een doode letter." Art. 4 waarborgt het recht tegen inbreuken1). Intusschen, 's Ministers opvatting was niet heel vaststaand. In zijn antwoord op de aanmerkingen, door verschillende leden in de Kamer gemaakt, wordt het artikel losgelaten als bron van aanspraak op bescherming. Doch al is het dan geen bron daarvan, er blijkt in ieder geval ten overvloede uit, „dat de Rijkspolitie met bescherming van personen te maken heeft" 2).

Evenmin als de Minister was de Heer van Idsinga heel vast in zijne opvatting. In de vergadering van 9 Dec. verklaarde deze afgevaardigde, dat ons artikel niets anders voorschreef „dan dat allen, die zich op Nederlandsch grondgebied bevinden, gelijke aanspraak hebben op bescher-

!) Handelingen 1902—1903, 11e Kamer, Bijlage A, bl. 27. 2) . bl. 483.

Sluiten