Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten doormaken. Doch ten slotte is het openbaar gezag, de staat, voorgelicht door de wetenschap, bij welke hij vroeger steun had gevonden voor zijne benepen opvattingen, gaan inzien dat, hoeveel zorg hij ook aan rechtsbescherming mocht besteden, hoever hij zijne bemoeiingen ter wille van de rechtsorde ook mocht uitstrekken, hij niet bij machte was alom en ten allen tijde de noodige bescherming te verleenen; dat, wilde hij het recht hebben in stand gehouden, het onrecht niet de heerschappij zien voeren, het zeer ondoelmatig was voor zich en zijn organen de uitsluitende verdediging van het recht op te eischen. Hij is gaan begrijpen, dat hij zich niet alleen aan zelfoverschatting schuldig maakte door voor zich alleen de rechtsbescherming te vindiceeren, doch ook, dat hij zich aan groote onbillijkheid tegenover zijne burgers schuldig maakte door hun het recht van zelfverdediging zoo goed als bijna geheel te ontzeggen. In de nieuwere wetgevingen, die voor een goed deel de vroeger zoo geliefde casuistische behandeling hebben laten varen, vinden wij het recht dan ook weer erkend, hier uitgebreider dan daar'), terwijl aan de prudentie van den rechter veel is overgelaten.

Aan dat inzicht - niet in staat te zijn ten allen tijde en overal de noodige rechtsbescherming te kunnen verleenen; zich aan groote onbillijkheid jegens zijne onderdanen schuldig te maken door hen als gewone misdadigers te behandelen, als zij voor hun rechten bij onmiddellijk dreigend gevaar in de bres springen - hebben wij ons art. 41

l) Vgl. Mr. J. J. Heuse, Noodweer, Eene rechtsvergelijkende studie diss. Leiden 1898.

Sluiten