Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gerecht te verschijnen, geen gevolg heeft gegeven (Rv. art. 76). Zoo is aan derden, geroepen door getuigenis mede te werken aan de vaststelling van de aanspraak, de verplichting opgelegd voor den rechter te verschijnen (W. v. S. artt. 192 en 444; Rv. artt, 11(5 en 215).

üe verdediging van 's burgers rechten behoort dus tot de bediening van de politie. Is nu een politiebeambte bij het verleenen van die rechtsbescherming in de rechtmatige uitoefening zijner bediening? Ongetwijfeld zal het antwoord bevestigend luiden. Immers de handhaving van het recht kan o. i. bezwaarlijk anders dan rechtmatig zijn. Zoo zullen dan die bepalingen van ons W. v. S., waarin gesproken wordt van „rechtmatige uitoefening van bediening", toepasselijk zijn op een ambtenaar, die optreedt ter verdediging van de rechten der burgers. En evenals de burger straffeloos uitgaat, wanneer hij bij de verdediging, bedoeld in art, 41 W. v. S., met de strafwet in conflict komt, zoo zal dat ook het geval zijn met den politiedienaar, die bij de vervulling van zijn verdedigingsplicht in strijd handelt met eene bepaling van het W. v. S.

Is de politie in de rechtmatige uitoefening harer bediening, als zij voor den burger diens rechten verdedigt; eene andere vraag is het, of de politie onder alle omstandigheden dadelijk haar plicht mag vervullen, of m. a. w., waar ligt de grens tusschen het onmiddellijk optreden van de politie terwille van 's burgers rechten en de hulpverleening door den sterken arm na rechterlijke uitspraak; waar eindigt het gebied, waarop de politie ten behoeve van den burger dadelijk ter verdediging kan schrijden; waar begint het terrein, waarop de burger naar den rechter ver-

Sluiten