Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dergelijke wijze van beoordeeling van het optreden der politie niet zijn aan te voeren, ware het niet, dat de meeningen uiteenloopen omtrent het antwoord, dat art. 41 op onze vraag geeft. Terwijl sommigen van oordeel zijn, dat volgens genoemd artikel rechtsbelangen van geringe waarde ot' waarvan de schade gemakkelijk hersteld kan worden, niet door paardemiddelen verdedigd mogen worden, zijn anderen de opvatting toegedaan, dat ons artikel toelaat, dat, indien men zijn bedreigd, aangerand wordend recht, onverschillig of het veel waarde heeft of niet, of eventueele schade te vergoeden zal zijn al dan niet, niet anders verdedigen kan, ook de uiterste middelen geoorloofd zijn, gebruikt mogen worden.

Hoe zal nu het antwoord moeten luiden? In den geest van de sommigen, die de evenredigheid voorstaan, of in dien van de anderen, die de ruime opvatting zijn toegedaan? ') I). S. 2) is blijkbaar een voorstander van de evenredigheid: trouwens dit mag ons niet verwonderen, waar wij Prof. Mr. D. Simons zijne ingenomenheid zien betuigen met art. 41 ontwerp Cort van der Linden 8). Mr. Bakker, van wien men zou verwachten, dat hij de ruime opvatting toegedaan zou zijn op grond van zijne woorden: „dat zij (de politie) alle middelen mag aanwenden, welke tot het door haar beoogde doel kunnen leiden" 4), neergeschreven

1) Het wil ons voorkomen, dat het juister is hier te spreken van „eene ongebreidelde rechtsverdediging" dan van „eene ongebreidelde politiebevoegdheid", zooals D. S. doet in een ingezonden stuk in W. v. h. R. 8154 (bespreking van Mr. Bakkers proefschrift).

2) t. a. p., W. v. h. R. 8154.

3) Leerboek I, bl. 184 noot 6.

4) t. a. p., bl. 68.

Sluiten