Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, dat de strafbaarheid, indien niet opgeheven, de uitvoering van wet of verordening in den weg zou kunnen staan; dan kunnen wij ten opzichte van de vrijheidsrooving, ten aanzien van art. 157 G.W., tot geen andere conclusie komen dan deze: indien voor de rechtshandhaving vrijheidsbeneming noodzakelijk is zonder rechterlijk bevel, dan zal deze wijze van handhaving achterwege dienen te blijven, tot tijd en wijle het den Wetgever zal behagen deze Grondwettelijke barrière op te ruimen '). Zoo zal dan bijv. het voorschrift, waarbij de Wetgever als zijn wil heeft te kennen gegeven, dat geen menschen zich in kennel ijken staat van dronkenschap op den openbaren weg mogen bevinden, niet gehandhaafd kunnen worden door dronken lieden in hechtenis te nemen of in bewaring te stellen; evenzoo kan het verbod van burengerucht, de nachtrust niet verdedigd worden door genoemd middel 2). De nachtrustverstoorder evenmin als de dronken man mogen langer aangehouden worden dan voor de strafvervolging noodig is: of het gevaar voor de rechtsorde dan is geweken of niet, doet niets ter zake: zij moeten door de politie worden losgelaten :i).

Eene onmogelijke conclusie zal men misschien zeggen?

!) In de eerste jaren na de invoering van liet W. v. 8. was ook de Rechterlijke Macht de enge interpretatie toegedaan (de Rb. te Winschoten het langst schijnt het; zie Tijdschrift voor Strafrecht XII, Rechtspraak «n litteratuur, bl. 17, aant. 123 ad art. 18Ü W. v. S.). En ook de Regeering heeft de enge opvatting wel gehuldigd (zie K.K. B.B. van 26 Sept. 1889, Stbl. no. 124 en van 21 Jan. 1893, Stbl. no. 22).

2) Vgl. over deze, in de artt. 431 en 453 W. v. S. opgesloten liggende, verboden BlNDlNQ, Normen I, 2e Aufl., bl. 3—131.

3) Vgl. Mr. Bakkkr, t. a. p. bl., 76 v v. Dat het inbewaringnemen

Sluiten