Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is dit zoo, dan treft niet ons het verwijt, doch den Wetgever, die zich zóó weinig aan de handhaving van het recht laat gelegen liggen, dat hij zich niet reeds lang de moeite heeft getroost de leemte aan te vullen, die in ons dwangrecht bestaat.

Geen wonder mag het dan ook heeten, dat pogingen zijn aangewend een weg te vinden 0111 aan deze, de politie met lamheid slaande, conclusie te ontkomen.

Zoo heeft men aan „hechtenis," voorkomende in art. 157, eene bepaalde technische beteekenis willen geven, waaronder dan niet de tijdelijke inbewaringstelling door de politie zou vallen. Na al hetgeen hieromtrent reeds is geschreven, meenen wij te kunnen volstaan met het volgende: door art. 157 G.AY. aldus te interpreteeren berooft men den burger van eiken waarborg juist op een gebied, waar de meeste willekeur is te vreezen. Daarom lijkt ons deze interpretatie onaannemelijk, hoe aanlokkelijk zij ook op het eerste gezicht moge schijnen. Voor zoover wij weten, heeft de praktijk haar dan ook niet aanvaard.

De praktijk heeft er echter wat anders op gevonden. Zij is de bevoegdheid, den plicht van de dienaren der openbare macht bij liet ontdekken van strafbare feiten op heeterdaad in twee stukken gaan snijden: het eerste stuk omvat dan den plicht, het recht tot aanhouding, tot vrijheidsrooving voor administratieve doeleinden; het tweede

van zwervende en beschonken personen (art. 3 e K. B. van 11 Nov. 1856, Stbl. no. 114) alleen kan slaan op eene bevoegdheid, die de politie ontleent aan art. 41 W. v. Sv. jo artt. 432 en 453 W. v. S., behoeft zeker geen nader betoog.

Sluiten