Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van af het oogenblik dat de Vennootschap in ontbinding is getreden.

In het vorige hoofdstuk werden gevallen beschouwd, waarin de crediteuren van eenen vennoot hunne aanspraken doen gelden op hetgeen hij van de Vennootschap te vorderen heeft, en er op gewezen dat zijn faillissement aanleiding geeft tot de ontbinding der Vennootschap.

Wordt deze zelf echter failliet verklaard, dan zullen in verband met art. 18 W. v. K. de hoofdelijk voor het geheel verbondene — ter onderscheiding der eventueel-bestaande commanditaire, — vennooten failliet zijn verklaard, hetzij dit volgens het tweede lid van art. 4 der Faill.wet op eigen aangifte, of overeenkomstig arrest van den Hoogen Raad dd. 1 Maart 1895 op aanvrage geschiedde.

Twee groepen van crediteuren zijn dientengevolge gevormd, de eene bestaande uit hen, die eene vordering tegenover de \ ennootschap hebben, de andere door de crediteuren der vennooten in privé.

Den Vennootschapscrediteuren uitsluitend komen de baten der \ ennootschap toe, daar elk der vennooten het recht heeft te eischen, dat die baten volgens de bij onderlinge overeenkomst vastgestelde bestemming besteed worden, en indien dit allen vennooten onverschillig is, of indien zij de voorkeur er aan geven die baten ook ten voordeele der privé-crediteuren te doen strekken, dan hebben de Vennootschapscrediteuren het recht dit te beletten.

De overeenkomst, waarbij de Vennootschap werd aangegaan, bevatte immers implicite of explicite het beding, door elk der vennooten gesteld, dat al wat de Vennootschap zou bezitten strekken zou in de eerste plaats tot delging der aangegane schulden, en hare crediteuren erkenden, door haar krediet te verleenen, haar bestaan en dienovereenkomstig de bestemming van de baten der Vennootschap, — waardoor aan het bij art. 1353 B. W. bepaalde is voldaan, en derhalve het beding niet gewijzigd of te niet gedaan kan worden.

Daar volgens art. 18 W. v. K. elke der vennooten hoofdelijk voor het geheel van de verbintenissen der Vennootschap aansprakelijk is, zoo zullen de Vennootschapscrediteuren gerechtigd zijn voor dat deel hunner vorderingen, dat niet door de baten

Sluiten