Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bepaling van art. 51 W. v. K., luidende:

„De Yennootschap zal haren aanvang niet kunnen nemen, „ten ware ten minste tien ten honderd van het gemeenschap„pelijk kapitaal gestort zij",

heeft noch met de oprichting, noch met de ontbinding, der \ ennootschap iets te maken. Zoolang die som niet gefourneerd is, hetzij in geld, hetzij in andere bestanddeelen, zal de rechtspersoon, ofschoon bestaande, niet bekwaam zijn te ageeren, en handelingen voor haar verricht verbinden derhalve hen,'die deze verrichtten, resp. de bestuurders, of hen, die den handelenden daartoe last gaven.

De wet schrijft voor de storting van 10 pCt. van het gemeenschappelijk kapitaal, maar verzuimt op te helderen óf zij onder gemeenschappelijk verstaat het maatschappelijk kapitaal d. w. z. het geheèle Stamkapitaal, dan wel het bij de oprichting geplaatste, i. e. in gemeenschap gebrachte, gedeelte, dat volgens het voorgaande artikel minstens 20 pCt. van het maatschappelijke moet bedragen, _ m. a. w. of „gemeenschappelijk» een ander woord voor hetzelfde begrip, of eene tegenstelling van „maatschappelijk" beduidt. Het Departement van Justitie neemt het laatste aan, en stelt het dus gelijk met „geplaatst kapitaal", zoodat eene overeenkomst, waarbij de oprichters zich verbinden tot het deelnemen voor één vijfde gedeelte, en tot eene aanvankelijke storting van slechts twee proc. van het stamkapitaal, de Koninklijke bewilliging kan verkrijgen, en daardoor implicite geauthoriseerd wordt haren aanvang te nemen.

Deze wetsuitlegging maakt de strekking van art. 51 zoo goed als waardeloos, doch behoeft niet door den rechter als juist erkend te worden.

7°. De Koninklijke bewilliging, de factor welke slechts voor het ontstaan, — en derhalve voor het bestaan, — der Naaml. Vennootschap, voor eenige verandering in de vastgestelde voorwaarden, en voor de verlenging van haren duur, noodzakelijk is, en waarover in het 1° Hoofdstuk is gesproken. Is de bewilliging eenmaal verleend, dan wordt ze niet meer ongedaan gemaakt, waarop het laatste lid van art. 37 wijst, zeggende:

„Geene, door den Koning bewilligde, Naamlooze Vennootschap, wordt door Hem ontbonden, ter zake dat de

Sluiten