Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal, krachtens het 1° lid van art. 13 95 Burg. VV bk.,

luidende:

.,Iedere betaling doet eene schuld vooronderstellen; het„geen zonder verschuldigd te zijn betaald is, kan teruggevorderd worden",

van aandeelhouders het hun te veel uitgekeerde bedrag moeten opeischen en ter beschikking van hare schuldeischers stellen.

Laatstgenoemden zullen wederom niet het recht hebben aandeelhouders aan te spreken, want niet dezen doch de Venn. is hun schuldig.

Blijft echter de reeds geacquitteerde en gedechargeerde likwi- A»n«prake. dateur in gebreke hen te voldoen, dan geeft het reeds besproken 2e lid van art. 45 W. v. K. hun de macht betaling hunner «lateur. vorderingen van hem te eischen, voor zooverre daarvoor beschikbare gelden door hem ten onrechte onder aandeelhouders zijn verdeeld.

In de akte van oprichting, al dan niet later gewijzigd, is immers explicite of implicite, ter verkrijging der Koninklijke bewilliging, de bepaling opgenomen, dat het vermogen der Venn.

slechts na algeheele Vereffening onder aandeelhouders verdeeld mag worden, en hebben likwidateuren dat voorschrift overtreden, dan zijn zij ieder hoofdelijk en voor het geheel aansprakelijk voor de schade, welke derden daardoor hebben geleden.

In abstracte draagt de likwidateur die aansprakelijkheid gedurende dertig jaren na de laatste door hem q.q. verrichte rechtshandeling, want eerst na verloop van dien termijn kan hij zich, volgens art. '2004 Burg. Wbk. op verjaring beroepen. Dientengevolge is hij verplicht, ten einde zijne eigene belangen zooveel mogelijk te beschermen, er voor te zorgen dat de kwijtingsbewijzen van het aan aandeelhouders uitgekeerde saldo der likwidatie steeds te zijner beschikking blijven, opdat hij die aandeelhouders in vrijwaring kan oproepen, indien de Vereffening eener schuld der Venn. verzuimd is en hij daarvoor in rechte wordt aangesproken.

Indien hem eenige schuld der Venn. bekend is, voor welker voldoening niet de gelegenheid wordt geboden, zooals zich bijv.

Sluiten