Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Doen.

§ 2j1. Infin. doen. Ind. praes. le p. don naast daon (naar gaon); 2e p. dèis; 3e p. dèit (naar gris, grit); lc en 3e p. pl. doen; 2 p. pl. dot, daot. Praet. dcch, dóch; dègj, dogj; zie § 186.

Het werkwoord Willen.

§ 232. Infin. Wèlh. Ind. praes. le p. wèl, 2e p. wèls, 3e p. ivelt; 1e en 3e p. pl. wèlU; 2e p. wélt. Partic. gjwèld. Praet. wouw, wouw3.

Zwakke Werkwoorden.

§ 233. Een kenmerkend verschil bestaat er in de vorming van den ind. praet. van zwakke verba in het Ndl. en in het Maastrichtsch. Terwijl in het Ndl. de d van den uitgang de aan den voorafgaanden harden medeklinker assimileerde, heeft in het dialect juist het omgekeerde plaats.

§ 234. Regel: Het imperf. der zwakke verba wordt gevormd door -dj achter den stam; eindigt deze op een harden medeklinker, zoo wordt die geassimileerd aan de volgende d, d. vv. z. de tennis wordt media, harde spirant wordt zachte.

Ook in den verbogen vorm van het verl. deelw., dat in het dialect t en d na medeklinkers afwerpt, treedt d op en heeft dan denzelfden invloed.

§ 235. Zoo wordt dus:

p tot b: dö'ibdj doopte, gabdj gaapte, kctbdj kapte, klabdj klapte, knö'ibdj knoopte, labdj lapte, ntbdj raapte, söbdj schopte, schepte, s/i' ibdj sleepte, snabdj snapte, snóbdj snoepte, st vnibdj stampte, tubdj tapte, trwrnbdj trapte. Evenzoo in het verl. deelw., b.v. gjdö'ibdj mrljk gedoopte melk.

k tot g: bewgdj beukte, drögdj drukte, fli^t'j flikte, gjbnigdj gebruikte, krgdj (v. krkj), knigdj knikte, ko'gdj kookte, Icgdj likte, lögdj lukte, niagdj maakte, i/t/gdj mikte, ptigdj pakte, plagdj plakte, pregdj preekte, ragdj raakte, ro'iigdj rookte, sigi/j (v. sikkj), smagdj smaakte, stig(/j stikte, strigdj (v. strikka), wrngdj werkte. Zoo ook in het verl. deelw., b.v. juj gjbnigdj zukdok een gebruikte zakdoek.

Sluiten