Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eest, èsda (onz.) 3)

Eeuw, iew.

Effen (bvnw.), cfp.

— efp, effakas. 4)

Eg, eg.

Eggen, êga.

Ei, tij.

Eigen, ei ga.

Eigenares, èiganërsa. Eigendom, èigandóm (m.). 6) Eik, rik.

Einde, ind.

Eindelijk, rindahk.

Ekster, ekstar.

Eksteroog, ëkstrouf (vr.). El, èl (vr.).

Elastiek, cllastik (m.). Elf, èl/af Elk, elhk.

Elleboog, è/labaog.

Ellende, rlend.

Emmer, ummar.

En, en, an. 7)

Eng, ing.

Engel, rng.il.

Enkel (subst.), rnkal.

Enkel (bvnw.), hikal(d).

ensab. 8)

rnsalèr. 9) - dnta'ns. 10) Er, ars. ")

Erg, eng.

Ergens, ö'r.igjs. I2) Ergeren, errdgarj.

Erven, errava.

Erwt, ert.

Eten, ëta.

Ettelijk, ettahk. 13)

Etter, eltjr.

evals. 14)

eender gemaakt zijn. 3) uitdr: tut trek wie an èsda het tocht als een eest, het tocht geweldig. 4) bijw. van tijd: eventjes. 5)vermelding verdient: 1° i-iga als subst., voorafgegaan door het pron. poss., b.v. iech doch in man èiga ik dacht bij mij zelve; 2° èigas als appositie bij een pron. pers., of subst., b.v. har het at èigas gado'n hij heeft het zelf gedaan; laot noets a jirnk mèidska èigas haöra man keza laat nooit een jong meisje zelve haar man kiezen. b) ook met de bet: passend gebruik; zoo is b.v. srnk (ham), èigandóm bij dikke boonen. 7) ook als deel der negatie komt en, an nog wel eens voor, b.v. iech an wèit at net ik weet het niet. 8) zaniken. 9) zaniker. ,0) nochtans, evenwel. ") deze vorm komt vaak voor als 2e nv. mv. van het pron. pers. b.v. iech kon/) ars tien ik koop er tien. ,2) ook i va rans komt voor. 13) steeds voorafgegaan door of, b.v. anan dag of ettahk eenige dagen. 14) evenwel, b.v. dat is evals net woer dat is evenwel niet waar; zie Jongeneel pag. 17 i.v. evel.

Sluiten