Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Klontje, kltrnsa. 39)

Klooster, klocstar.

Kloot, kloet. 40)

Kloppen, kloppa. 41) - — kloppartèij (vr.). 42) - klot (m.). 43)

klöchtag. 44)

Kluister, klocstar. 45)

Klungel, khrnul.

Kluppel, klöppal.

Kluwen, klonwa.

knab (m.), pl. knabbj. 46)

Knak, knak.

Knal, kna'l.

Knap, knap.

Knapzak, knapzak.

kna'wah. 47)

Knecht, knech.

Kneden, knejja.

Kneukel, knewkdl.

Knevel, knivjl.

Knibbelen, knebbals.

Knie, knëj.

Kniezen, knèiza. 48) knèizatag. 49) Knijpen, knipa.

Knikken, knikkj. Knobbel, knóbbal.

knódsa. 50) Knoeien, knoep. Knoflook, knóflok. Knook, knö'k.

Knoop, kno'up. Knoopen, knö'ipa.

knörs (m.). 51) - knoevolj. 52) Knop, knóp.

Koddig, koddjg. 53) Koe, köj.

Koek, kók.

Koekeloeren, koeka loerj. Koel, keul.

koelakop (m.). 54)

koen-zal. 55)

Koets, kouts.

Koetsier, kótsër.

maken; fra. éclipser. w) gewoonl. het dim. in de verbinding: a kltrnsa sókkar een klontje suiker. 40) met de bet: teelbal en als scheldnaam. 4l) reflex: vechten. 4i) vechtpartij. 43) Kil iaën: Klotte; het Ndl. gebruikt het woord kluit. 44) met de bet: luchtig, frisch; an klöehtaga kamar. i:>) hangslot. 46) babbelaar (suikergoed); soms knab geheeten, omdat men er op knabbelt? Belgische en Duitsche pasmunt. 4") knauwen, knabbelen. 48) ontevreden mokken. 49) kniezerig, morrend, brommend. 50) klinken, aanstooten bij drinken; tikken met eieren; zie: de Bo, Kil iaën i. v. knodsen.51) kraakbeen, vgl. Ndl. knorrebeen; zie A. van de Water i. v. knors. 5"2) betasten, hartstochtelijk tegen zich aandrukken; vgl. Ndl. knuffelen, zie Kiliaen i.v. knuijffelen. r'3) het gewone woord voor aardig.54) kikkerjong als vischje; zie: Onze Volkst. II. 221; Kluge i.v. kaulbarsch; Jongeneel i.v. koelkop. r«) persoon, die in de R. K. kerken gedurendeden

Sluiten