Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Smeer, smcr.

Smelten, smèlid.

Smeren, srnerj.

Smid, smëd.

Smijten, smïfo.

s/nik (vr.). 44)

smókkd. 45)

smóksier. 46)

Smokkelen, smókkih.

Smous, smo'iis.

Snaar (koord), snaor.

Snakken, snakkd.

Snappen, snappj.

Snede, snèij, snèij. 47)

Sneeuw, s/tic.

Sneeuwen, sniejd.

Snert, snert.

Snijden, snèijj. 48)

Snijder, snèidji. 4")

Snoek, snok.

Snoepen, snópps.

— snóp (m.), dim. snupkd.50) Snoet, snoets. 51)

Snorken, snö'nks.

Snot (onz.), snóts (m.).

Snuif, snouf.

Snuiven, snoim. 52)

Soep, sop.

Sok, zok.

Som, som.

Soms, soms.

Soort, sört.

Spaan, spien (onz.). 53)

Span (tweetal), span.

Span (v.), span (onz.). 54)

Spang, spang, pl. spang3. 55)

spangj. 56)

Spannen, spanna.

Sparen, spaoro.

Spartelen, spartjfo.

Spat (aderspat), spat (o.).

spêbak (onz.). 57) Spek, spek. 58)

Spel, speu'l, dim. spaö/kj. Spelen, speirb.

Speler, spaölddr.

Lieve Vrouw; sbvro'iiwa (scil. krrjk) Onze Lieve Vrouwekerk. 4I) zweep; zie: Jongeneel i. v. sjmik; Onze Volkst. II. 228.45) snuiten van kaarsen; zeker van den stam van het werkw. smoken; Kil iaën vermeldt smuicken vaporare. 46) kaarsesnuiter. 47) snèij (vr.) — het door snijden verkregen voorwerp, b.v. Jti snèij broed; snè ij (m.) = de door het snijden verkregen opening, b.v. J/u snèij in ,H gaziech. 48) ook met de bet: snoeien van boomen. 4!') het gewone woord voor kleermaker. 5Ü) verkoudheid in het hoofd; zie Kluge i. v. schnupfen.51) gezicht van nienschen; dim. sniitskj: dn aord.ig sniïtsks een lief gezichtje. 5-) ook: de neus snuiten. 53) collectivum met de bet: schaafkrullen. :>') 3 span breid een span breed; ook als term bij het knikkerspel, wanneer 2 knikkers op eene spanne van elkaar liggen. 55) speld. 56) met spelden vaststeken. 57) speenvarken 58) spckslachtjr varkensslager; spekkavur arrestantenlokaal.

Sluiten