Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bldz.

over § 158 96

te § '59 96—97

iot § 160 97—99

uit § 161 99

van § 162 99—101

De infinitiefbepaling § 163—174 101—107

infinitief met te als object § 163 101

infinitief zonder te als bepaling § 164 102

infinitief met te als bepaling § 165 102

infinitief met te bij reflex, w.w § 166 103

infinitief met te als praepositiebepaling... 8 167 103

infinitief met om te als bepaling § 168 103—104

infinitief met zonder (tot, van en met) te.

als bepaling § 169 104

■weten met een vraagpartikel § 170 104

adjectief met eene infinitiefbepaling § 171 105

adjectief met infinitief met te (of om te)... § 172 105

twee nevengeschikte infinitiefbepalingen... § 173 105—106

ondergeschikte infinitiefbepaling § 174 106

Naamvoord van gesteldheid 107—108

Adjectieven enz. als naamwoord van ge-

stfldhied § 175 107

verbuiging van adjectieven enz. als naamwoord van gesteldheid § 176 107

Infinitief zonder' te als naamwoord van

uesiei.dhied § 177 107—108

Substantief als naamwoord van uesteldheid § 178 108

Zinsoorten 109—139

Negatieve zinnen § 179—185 109—113

negatie en § 180 109

dubbele negatie § 181—182 110—111

versterking der negatie § 183 111—112

negatie bij maar en nauw § 184 112—113

negatie in bijzinnen § 185 113

De wijzen van het werkwoord § 186 igi ii3 il6

imperatief § 186 113

laten wij en laat ons § 187 114

participium in de beteekenis van een'

imperatief § 188 114

conjunctief § 189—190 114—116

omschrijving van den conjunctief § 191 116

De tijden van het werkwoord § 192 196 il6—i 19

praesens historicus § 192 116

Sluiten