Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opmerking.

Toch vindt men bij Bredero ook wel het verleden deelwoord van zulke werkwoorden gebezigd.

Dat Leckerbeetje stracx is heen geloopen halen. (Lucelle iqqo). Als dat ghy hebt ghesien zijn Brief aan stucken scheuren. (Rodd. ende Alph. 896). Niet anders als een woord, datmen van ouder eens segghen heeft ghehoord. (Boertigh Liedt-Boeck nae 336, vs. 108). ' 1 s'

§ 20.

Het werkwoord komt in 't algemeen overeen in persoon en getal met zijn subject.

De tydeloose mensch speelt met zijn aertsche sinnen. (Het daget uyt den Oosten 65). De Spangiaerts konden dat niet eten. (Moortje 575) Wat doeje,, spinje wat? (Spa. Brab. 1304). Nu acht ghy mijn noch al mijn weldoen niet. (Stommen Ridder 2058). Wij achten gheen gheluck... te ghelijcken by u. (Angeniet 2355). Ick sie-er daar wel ienighe. (Rodd. ende Alph. 468).

§ 21.

Bij den imperatief van den 2en persoon singularis komt het vaak voor, dat de persoonsvorm in den pluralis staat.

In de middeleeuwen gebruikte men ook tegen één persoon het meervoud van den imperatief, uit beleefdheid, evenals men in den indicatief en conjunctief iemand met gy en den pluralisvorm van het werkwoord aansprak. Dit gebruik heeft zich in de 17e eeuw gehandhaafd, te meer, daar het voorn.wrd. voor den 2en ps. sing. du maar zelden meer voorkwam, (cf. § 3, Opm.).

Brengme licht, of roept het aen de Meyt. (Het daget uyt den Oosten 793). Hout, jongh, jy reckt te stijf, wilt nu weerom wat eerzen. (ibid. 803). Kom, dochter, kom, mijn kindt, en knielt ootmoedigh neer. (ibid. 869). Siet datje soo volhert, (ibid. 899) Dus siet toe watje doet. (ibid. 913). Hoeje wilt, veugeltje, mach-

je niet stopt u ooren. (ibid. 1781). Wel, broertje, slaapt vrij

ick selje te twee uren wrecken. (Klucht vande Koe 126). Bylo siet wel voorje. (Rodd. ende Alph. 421). Loopt met jouw duyten in ien pomp; of gheeftse. (ibid. 425). Wel Grietje, loopje wech?

Sluiten