Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Self.

Aanhoort den inhout self. (Rodd. ende Alph. 726). Dat het Alphonso self moet wesen. tibid. 1442). Soo haat ick selfs mijn self. (I.ucelle 1817). De schoonheyt self. (Moortje 807). Maar die ick self de kost te gheven ben van noot. ((Spa. Brab. 971). Of sy souwer self wech gheven. (ibid. 1333). Zoo ken ick toch mijn zelf... verkeeren. (Stommen Ridder 623). Dat ghy nu mooght ghebieden mijn zelf. (ibid. 1221).

C. Het Lidwoord als Attribuut.

§ 87.

Het lidwoord staat vóór het substantief, waarvan het 't attribuut is; heeft dat nog andere bepalingen vóór zich, dan staat het vóór die bepalingen.

De groote grendels sijn gheschoven voor de Poorte. (Het daget uyt den Oosten 10). Het prachtich praelend Paert. (ibid. 38).

§ 88.

Gaan de woorden zoo, zulk of dus aan een substantief vooraf, dan komt het lidwoord achter die attributieve bepalingen te staan.

Soo een Handelaar. (Angeniet 929). Soo een Maaght. (ibid. 2289). Jy bint so euvelijcken overdadighen... Knecht. (Rodd. ende Alph. 423). Met soo dwars een Vraghe. (ibid. 543). Soo grooten heerschappy. (Luceile 1457). Zo groot een Prins. (Stommen Ridder 2127). Suck een wet. (Angeniet 608). Wacht u voor sulcken quant. (Het daget uyt den Oosten 908). Sulcken handel. (Moortje 235)- Au dusschen man? (Klucht vanden Molenaer 522). Aen dusschen noodeloosen sorgh. (Klucht van Svmen 485). Met dusken waardicheyt. (Stommen Ridder 2179).

Opmerking.

Soms staat het lidwoord vóór de woorden zoo en zulk.

Met een soo lichte quant. (Het daget uyt den Oosten 905). Om een soo dollen Vrouw. (Rodd. ende Alph. 1667). Om een soo grouw'lijck stuck. (ibid. 2355). In een so nutten... reden. (I.ucelle 110). In een soo vette keucken. (ibid. 1802). Een soo mis-

4

Sluiten