Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moeder wan. (De Groote Bron der Minnen, pag. 446, vs. 16). Bloot hart minde noyt Vrouwe, (ibid., pag. 481, vs. 39). Het fravste weytspel, dat oyt mensch met ooghen sagh. (Rodd. ende Alph. 23). Als minnaar oyt van lief mach eerelijck begeeren. (Lucelle 1522).

D. Het Substantief als Attribuut.

§ 96.

Een substantief staat als attribuut vóór of achter het woord,

waarvan het de bepaling is.

Elisabeth mijn Lief! (Rodd. ende Alph. 315). Heer Adelaar. (Lucelle 243).

§ 97-

Verwantschapsnamen en titels staan gewoonlijk vóór het substantief, waarvan zij 't attribuut zijn.

En ghy Heer Rodderick. 'Rodd. ende Alph. 1179)- Koningin Gryaan. (Griane 2137). Van de Princesse Hermiede. (ibid. 2139). Keyser Karei. (Klucht vande Koe 43/- Heer Adelaar. (Lucelle 243). Den bloedt-Godt Mars. (Het daget uyt den Oosten 452). Joffer Margriet, (ibid. 808).

Opmerking.

Toch komt het' wel voor, dat zulke woorden achter het substantief staan, waarvan zij de bepaling uitmaken.

Hoort hier, Symentje Neef. (Klucht van Symen 3V Vaert wel, mijn Roemer Heer. (Het daget uyt den Oosten 1080). Amjanus Bisschop heeft zyn oogen uytgesteken. (Lucelle 169). Een Roomsche Leo, Paus. (ibid. 171).

§ 98.

Als appositie staat een attributief substantief altijd achter het

woord ,waarvan het de bepaling is.

Claertjen mijn gespeel. (Het daget uyt den Oosten 11). Ghy terger van dit volck. (ibid. 118). De valsche vrouw, de hoop.

Sluiten