Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(ibid. 178). Aen achterklap of smaet, een leelijck schendigh dingh. (ibid. 337). My afghesloofde Man. (ibid. 657). In het Hof, School-vrouwe van de sonden. (ibid. 666). Maar uwe Kamerier, die soete slechte slooff. (Rodd. ende Alph. 325). By u, myn leven ! (ibid. 834). Dit jonghe leven soet, een deerlijck offerhande! (ibid 2297). Joost de breyer? Met Pieter de wasser... Marckis de schuurder. (Klucht van Symen 455). Gaat stracx tot mijn gevaar Meester Hans dApoteker. (Lucelle 1975). Nae 't diefsche Barbarije, dat Roofnest! ja de marc.kt van het ghestole goedt! (Moortje

557)-

§ 99

De appositie wordt vaak gescheiden van het woord, waarbij ze hoort; dit komt vooral voor, als de bijstelling dient ter nadere verklaring van een pronomen personale.

Margariet blijft hier, die trouweloose Vrouw. (Het daget uyt den Oosten 1285). Siet daar, daar komtse selfs, die pest, en het verderf. (Moortje 85). Of hy wel swijghen sal, den desen, uwe knecht? (ibid. 122).

§ IOO.

De overeenkomst in naamval tusschen appositie en het woord, waarbij ze als bepaling dienst doet, wordt niet zelden verw aarloosd.

Hij heeft my uyt geeyscht, dien booswicht, dien verrader. (Het daget uyt den Oosten 739). Die deden aan haar man de Coning dit verstaan. (Lucelle 2509). Tot die volcomen hulp van my u trouwe Vriendt. (Rodd. ende Alph. 588). Den Hoochste spaar myn Oom de Keyser langh ghesondt. (Griane 623). Ick loope na u vrundt de kloecke Prins van Peere. (ibid. 1926).

Opmerking 1.

Vermelding verdient, dat sommige woorden, vooral heer, als appositie vóór een substantief in den genitief staande, onverbogen blijven.

Keert na u Heer Vaders Huys. (Rodd. ende Alph. 1669). Na u Heer Vaders woningh. (ibid. 1842). Voor mijn Heer Vaders slot. (ibid. 2528). In myn Heer Vaders palen. (Griane 507). Myn

Sluiten