Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

souwer so menmch te marckt loopen. (Klucht vande Koe in). Hevn is tZee. (ibid. 196). Mijn schepen... zijn revs op reys eewenscht ter haven ingekomen. (Lucelle 360). De frayicheden die ter koken omme gaan. (ibid. 539). Soo is hy onbedwongen ter sadel ingesprongen, (ibid. 809). Ghy die soo manlijck u ten Oorloch hebt gehadt. (ibid. I4o3). Ick lietet te kermis hier'inde kramen sien. (Moortje 1227). Ghy zijt hier ter keure wel eheroockt te deser spacy. (Spa. Brab. 173). De Spartsche Coningin, die t hoochmoedige Troyen ten bloet en brande brocht (ibid 63O. Ach! gae ick weder t'huys. (Het daget uyt den Oosten 1314). L levendige lichten my slaet ter zielen in. (Boertitjh Liedt-Boeck. pag. 350, vs. 24). Haar Wyshevt redenkavelt my ten konfer of ten branden. (De Groote Bron der Minnen, pa?. 399, vs. 32). Die stelden haar ter zeet. (ibid., pag. 457, vs. 26).

b. waar wij tot zouden gebruiken.

De snoeckdragers aldaar ter monster vry passeren. (Lucelle 5 )• Ten verwvtlijcke hoon van alle zijn na-maghen, ten love van mijn njck. (Stommen Ridder 1979). So hebt ghaer en myn vreucht ghenomen t'mijnder onvromen. (Boertigh Liedt-Boeck pag. 286, vs. 30).

c. van tijd, waar wij van gebruiken.

Maer daer issser te nacht by 't Hof een neer elevt. (Het da?et uyt den Oosten 1767). Ick gae te noen uyt eten. (Moortje 1654). De visch die staet noch in heur bloedt, die 'k te middach heb ebroken. (Klucht vanden Molenaer 47). Ick quam termaent misschien eens uyt. (De Groote Bron der Minnen, pag. 435, vs. 50).

Opmerking.

Uit bovenstaande plaatsen blijkt, dat te zoowel met den datief als met den accusatief geconstrueerd wordt.

§ 160.

Tot wordt gebezigd:

a. in de beteekenis van dienstig tot of ten behoeve van, ter aanduiding van een doel.

Daer moet soo veul tot het huvsraet syn en tot het huysghesin. (Klucht van Symen 481). Ick gis, dat van zyn Moer de schutterhjeke jongen dit gout-draat tot een net dér Minnaars heeft bedongen. (Lucelle 26). Hier vercoftese lindt datmen tot schaetsen bruveken. (Moortje 2951). Laat ons onse saken tot dese laatste tocht ghereet en vaardigh maken. (Angeniet 18).

7

Sluiten