Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ i7i.

Een adjectief kan eene infinitiefbepaling, als genitiefbepaling, bij zich hebben.

't Is my wel rijdens waart. (Lucelle 2538.).

§ 172.

Een adjectief kan eene infinitiefbepaling met te of om te, als accusatiefbepaling, bij zich hebben.

Terstont is hy bevreest, gheneight den moedt te gheven gantsch verloren. (Rodd. ende Alph. 1403). En as mijn man eynckel belust was, ...om vis te eten. (Klucht van Symen 9). Ick ben al te out, Symen, jou sot en spot te wesen. (ibid. 471). Ick ben gemoet den Elinck an te spreken. (Lucelle 2397). Sijn't de Keurvorsten eens, een ander hooft te kiesen. (ibid. 2460). Meest altoos zyn belust om steets wat nieuws te hooren. (Moortje 753). Ghv bent seker soo eel om yemants woort te houwen, (ibid. 964). Dat ick te vretien was te volghen haren raat. (,ïbid. 1653). Zyn vader die was vuer inde winckel besich om de lieden te gerijven. (ibid. 2443)- So jij ...elck een schuldich zijt te doen behulp. (Spa. Brab. 1971). De lelyckheyt is waart om hooch daar af te roemen. (Stommen Ridder 796).

Opmerking.

Eene enkele maal komt de infinitief zonder te met om voor. (cf. § 168, Opmerking en Ned. Wdb. X, kol. 140.)

Heeren boccken zijn quaat om lesen. (Spa. Brab. 1321). Want 't was te vreemdt om zien. (Stommen Ridder 602). lek ben belust om lesen. (ibid. 1398). Of mijn vreught of mijn min mijn lichter valt om segghen. (Rodd. ende Alph. 294). 't Souw my... ook lichter zijn om draghen. (ibid. 2271).

§ 173-

Staan twee nevengeschikte infinitiefbepalingen met te bij een werkwoord, dan wordt veelal vóór den tweeden ininitief te weggelaten. !)

Mijn Lief swoer my in't leven te laten noch begeven. (Lucelle 325). Ick en weet te dencken noch bemoeden. (ibid. 1168). Ick

x) Vgl. Van Heiten, Vondel's Taal, § 197.

Sluiten