Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat bid ick, datje gaat en brenght myn waarde broer dees on verhoopte tijdingh. (Moortje 3155). Die by de huysen gaet en lanjt by de buren (Het daget uyt den Oosten 1792). Met sorgen leyt hy snachts en denckt. (Nederduytsche Rijmen, pag. 96 vs. 116). Ghv leght altoos en kijft met die blauewe Wortel-wyven. (Rodd. ende Alph. 454). Miestendeel leyt sy en schuyrt en wryft. (Gnane 2621). Hoe sit ghy dus en quackelt? (Boertigh LiédtBoeck, pag. 248, vs. 90) En 'sanderen daechs sit hy dan en knort. (Klucht vanden Molenaer 387). Daah sit hy strackx en suft. (Angeniet 969). Het boefjen stond en loegh. (De Groote Bron der Minnen, pag. 463, vs. 149). Hoe stady dus en dut? (ïbid., pag. 393, vs. 70). Mijn lijf stong mijn en beefde. (Klucht \anden Molenaer 280). Sy staet vast en bepevnster. (Klucht vande Koe 514). Het volck stondt en lachten. (Moortje 2910).

Opmerking /.

De twee werkwoorden moeten in zulk soort van zinnen als één begiip worden opgevat, zooals blijkt uit de volgende voorbeelden, waar het voorwerp bij het eerste werkwoord staat, hoewel het behoort bij het tweede.

Mijn heerschip staat hem en verkleet. (Spa. Brab. 1843). Wil jy taback leggen en drincken. (Griane 10). Dit sta ick vast en peys. (Lucelle 1468).

Opmerking 2.

Op te merken valt hierbij, dat wij in bijzinnen eene dergelijke constructie ook nog wel gebruiken, in hoofdzinnen echter niet. Men vergelijke daartoe de volgende plaatsen.

Huvte-nochent als ick stong, en kalfaterde de henning. (Griane 1313). Wanneerder yemant sit en naydt, of ployt haar doeckje. (Moortje 806). Om dat myn oudt Oom daar so langhe stont en drenten. (ibid. 917). Dat bid ick, datje gaat en brenght myn waarde broer dees onverhoopte tijdingh. (ibid. 3155). Ick macher mijn hooft niet me breken, of daar een Paap staat en praat int Latijn. (Spa. Brab. 1358).

§ 196.

De conjugatio periphrastica, om het voortduren der werking uit te drukken, komt bij Bredero af en toe voor.

Soo ick na haar was gaande. (Moortje 1028). Dat gh'u onloochbaar lief niet kennende en wart? (Griane 1840). Die soo diep zijn ingaande. (Lucelle 636). Gelijck hy sach, als daer toekomend' waren. (Aendachtigh Liedt-Boeck, pag. 519, vs. 11).

Sluiten