Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik acht het enkele aanvoeren van het moederschap over het erkende kind voldoende, want de voogdij is een gevolg-van-rechtswege van het moederschap (art. 408 B. W.).

In het verzekeringsrecht speelde eenzelfde moeielijkheid voor de derde kamer der Amsterdamsche Rechtbank in een zaak, die den 8sten Januari 1904 met het te behandelen eindvonnis afliep (W. 8110). Hier was door de verzekeraarster een uitkeering verschuldigd, ingeval de verzekerde gedood werd door een van buiten aankomende gebeurtenis, welke hem onafhankelijk van zijn wil plotseling overkwam en de onmiddellijke, uitsluitende oorzaak der lichamelijke beleediging was, Welnu, dit feit was door de bevoordeelde genoegzaam gesteld. Maar . . . voor een mogelijk recht van deze op de uitkeering was nog een andere voorwaarde door de verzekeraarster bedongen, en wel deze, dat er in geval van verdrinking — als in casu plaats had gehad — geen uitkeering verschuldigd zou zijn, wanneer niemand getuige was geweest van het ongeval. Dat er getuigen waren geweest, was niet gesteld door eischeresse. Dit strekte haar volgens de Rechtbank niet ten nadeele, want deze meende, dat het bewijs van het omgekeerde viel ten laste van gedaagde, en veroordeelde de verzekeraarster tot betaling van het gevorderde, omdat door eischeresse het op haar rustend bewijs was geleverd en gedaagde het bewijs, waartoe zij verplicht was (nl. dat er geen getuigen waren geweest bij het onheil) niet had aangeboden. M. i. kan men de juistheid dezer uitspraak sterk in twijfel trekken. Aan eischer staat het, naar den hoofdregel althans, alle feiten te moveeren waarop hij zijn recht baseert. Nu kunnen wel de wet of de levenser-

Sluiten