Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoowel eischer als gedaagde moeten staan voor de lasten van het proces. Welken zin heeft het trouwens nog bewijs te vorderen van het erkende? Dit is dan een afwijking van den hoofdregel! De aanhangers der onsplitsbaarheid zeggen — o.a. bij monde van de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp-Bewijsrecht —: „Gaat men de verklaring van den gedaagde splitsen en daarvan afnemen, hetgeen in zijn nadeel is, dan zal hij ten slotte gedwongen zijn tegenbewijs te leveren tegen datgene, wat alleen door zijne erkentenis vaststaat; dit ware niet te verdedigen". Ik antwoord: gedaagde levert geen tegenbewijs in engeren zin, hij zal slechts de voor hem gunstige feiten te bewijzen hebben. Niets wat hier m. i. onbillijk is, hij zou die feiten toch hebben moeten bewijzen, zoodra de posita der tegenpartij bewezen waren, thans wordt hij er terstond voorgesteld. Is daarin sprake van onbillijkheid ? Dan noemt dezelfde Memorie van Toelichting, a,in de hand van de meerderheid der Staatscommissie, een praktisch argument, waarop reeds anderen gewezen hadden1), ingegeven door medelijden met den onvoorzichtigen schuldenaar, die geen kwijting heeft verlangd. Hier is mijn wederwoord: Jus vigilantibus scriptum. Evenmin als aan Faure, komt mij dit argument voldoende voor om de onsplitsbaarheid te decreteeren.

In één opzicht moet ik echter een voorbehoud maken. Met het afschaffen van de onsplitsbaarheid

') O. a. Baudry Lacantinerie. II. blz. 892. no. 1300. „un debiteur dont la dette n'est past justifiée par écrit, n'a pas de motif pour exiger une quittance lorsqu'il il se libère; il ne faut donc pas le rendre victime d'un aveu complexe fait de bonne foi". Terecht vraagt Faure IV*. blz. 193 in antwoord hierop: „Moet men op dergelijk medelijden regelen van gerechtigheid doen rusten"?

Sluiten