Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toch, heeft al de mogelijkheid van de geschetste vereeniging haar schaduwzijden, een ruimere vrijheid in het concludeeren in dezen zin brengt ook voordeelen, in zoo sterke mate zelfs, dat mij de vereenigbaarheid van het onvereenigbare ten slotte een weloverwogen concessie aan de pleaders lijkt. Waarom een feit toegegeven, wanneer men zelf niet zeker is omtrent de zaak ? Het voordeel van de pleadings, dat men komt tot een zeker aantal bepaalde issues, blijft bestaan. Ik erken, dat het aantal in dit geval grooter is, maar partijen verkeeren daarmee geen oogenblik in het onzekere, welke de issues zijn. De zaak is hierom van zoo groot belang, omdat, zoo men de door de tegenpartij gestelde feiten erkent, en meer niet, men bij de slotbehandeling, naar Engelsch recht, niet toegelaten kan worden tot het bewijs van nieuwe feiten, die aan de eerstgestelde haai kracht ontnemen. Denken wij dan aan het voorbeeld van den eischer, die in de eerste plaats ageerde als „residuary devisee". Liet men hier slechts één bewering toe, dan zou men zeker niet een praktische en billijke rechtspraak in de hand werken.

Trouwens, op dit punt geeft ons tegenwoordig recht reeds uitkomst. Uit art. 130 Rv. blijkt welhaast genoegzaam, dat onze wet zich vereeniging van meerdere feitelijke grondslagen als zeer wel mogelijk heeft voorgesteld. Hier is l) geen sprake van eigenlijk gezegde cumulatie van acties, want^cumulatie, samenloop, bestaat er pas, „wanneer aan iemand meer dan ééne rechtsvordering ten dienste staat, waarmede hij dezelfde praktische uitkomst kan verkrijgen"®). In het geval der vereeniging, welke art. 130 Rv. zich denkt, bestaan juist

') In den regel althans.

*) Faure. Nederlandsch Burgerlijk Procesrecht. I. bh. 264.

Sluiten