Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogstens drie pleadings in den regel tevreden, het Nederlandsche systeem brengt mee, dat iedere partij recht heeft op minstens twee conclusies. Voorzoover wij ons bepalen tot den feitelijken opzet van de zaak, is vier wel wat veel, dat zal ieder me toegeven. Ook ten onzent komt een tweede tegennorm weinig voor; alsnog, naar aanleiding van de gevoerde verdediging op nieuwe feiten of omstandigheden te moeten wijzen, zal hooge uitzondering zijn. Nogmaals breng ik ten deze echter in herinnering, dat het hier te lande geldende systeem (de diepergaande schriftelijke behandeling, het bewijs-interlocutoir en de afwezigheid van een trial) van zelf de opstelling van omvangrijker en meer conclusies meebrengt1)-

Wat is nu, op dit punt reeds, de fout van de Nederlandsche conclusies? Zij bepalen er zich niet toe op korte, kernachtige wijze de inaterial facts aan te geven. Partijen treden reeds in een behandeling van het bewijsmateriaal. Repliek en dupliek dienen tevens om feiten, minder helder in de eerste conclusie, nader te belichten. Nieuwe feitjes, meestal geen „facta probanda", maar „probantia" worden in het geding gebracht. Het zuivere schema, dat de Engelsche conclusies ons geven, is in onze Hollandsche dikwijls niet te vinden.

In de tweede plaats treden de conclusies hier te lande in rechtsbeschouwingen. Ook uit dit gezichtspunt is het natuurlijk prettig de noodige ruimte te hebben om zijn denkbeelden te zeggen en te herzeggen. Het opperen van de rechtsbeschouwingen in de con-

') Mrs. Hartogh en Cosman. De wet van 7 Juli 1896 (blz. 64) brengen echter in herinnering de woorden van Faure in W. 6624: „vier conclusies zijn al twee meer dan genoeg".

Sluiten