Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor den commissioner heeft dan nog slechts de beeediging ervan plaats.

Dat men een eed eischt, is m. i. volkomen billijk. Het ontbreken van dezen neemt allen waarborg weg, dat het verklaarde werkelijk in overeenstemming is met de waarheid. Zelfs waar het de ondervinding van anderen geldt, acht ik het Engelsche recht op dit punt volkomen redelijk. „A party must answer to the best of his knowlegde, information and belief", zegt de Annual Practice. Dat zij redelijke pogingen in het werk gesteld heeft om de waarheid te weten te komen, dat haar eigen overtuiging in den bezworen zin gevestigd is, dat alles wordt gedekt door haar eed. Juist in dit ontbreken van den eed staat ons verhoor op vraagpunten lager dan het Engelsche. Het onze is in dit opzicht ontaard, want zoowel het Oud-Fransche als het Oud-Hollandsche recht kenden den eed wel. Uit vrees voor meineed is hij hier te lande in onbruik geraakt. Men moet aan den eed niet al te groote waarde toekennen en het niet zoo opvatten, dat de minste leugen strafrechtelijke repressie noodzakelijk maakt. Op dit punt kom ik terug bij het partijen-verhoor. Laat ik hier alleen zeggen, dat ik in den eed een niet te versmaden sanctie zie.

Kan men nu zeggen, dat de Engelsche antwoorden op interogatories mank gaan aan hetzelfde euvel, als onze decisoire en suppletoire eed? Ook de interrogatories kunnen den ondervraagde voor een zwaar dilemma stellen, veel zwaarder dan bij ons, want hier te lande is er geen meineed mee gemoeid. De interrogatories staan dichter bij den grond van de actie, steken al meer in het abstracte gewaad, dat onze eeden dra-

Sluiten