Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op^gt, de beleediging. Lezen wij eens aandachtig de artt. 1408 en 1412 B. W. Daargelaten, dat art. 1408 het verzuim begaat, niet eerst te bepalen, wat beleediging is — evenmin trouwens als ons strafwetboek — eischt art. 1412 uitdrukkelijk het bewijs van het oogmerk om te beleedigen. Zoo ergens verkeerdelijk een bewijsplicht sterk op den voorgrond werd gesteld, dan zeker hier. M. i. diende de klemtoon gelegd te worden op de gesproken woorden, op de „publication" van de beleediging.

Zoo denkt althans het Engelsche recht erover. Dit houdt niet zoozeer rekening met het oogmerk, de bedoeling, het opzet of hoe men het noemen wil van den beleediger, als wel met den indruk, dien het geuite maakt op de buitenwereld. Ieder wordt aansprakelijk gehouden voor zijn daden. Aan gedaagde zij geoorloofd den een of anderen verdedigingsgrond aan te voeren — algemeen belang, zelfverdediging enz. — maar prima facie sta zijn verantwoordelijkheid vast. Mr. Marchant (Begrip en gevolg van beleediging in het Burgerlijk Recht. A. P. 1894 blz. 71) noemt ons het middel, dat de praktijk dikwijls aanwendde om den zwaren last, hier op eischer gelegd, van hem af te wentelen. Veelal nl. werd als bewijs van het oogmerk om te beleedigen aangenomen de beleedigende vorm of inhoud van het geschrevene, maar den verweerder werd vrijheid gelaten daartegenover zijn geoorloofd inzicht aannemelijk te maken. Met een vermoeden ontleend aan de levenservaring kwam de rechtspraak hier den te zwaar belasten eischer te hulp.

Werpen wij, bij onze behandeling van deze materie, nog een blik op een bijzonder beginsel, te vinden bij

Sluiten