Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toestand als hier te lande. Onze Oostelijke naburen huldigen echter een andere opvatting. De Duitschers plegen het bewijsrecht tot het procesrecht te brengen. Vandaar de regeling van dit onderwerp in de C. P. O., een voorbeeld nog onlangs gevolgd door de Oostenrijksche C. 1'. O. van 1895. Ook in Engeland beschouwt men het bewijsrecht als een deel van het procesrecht, ofschoon men de behandeling ervan in den regel overlaat aan speciale werken, waarin dan meestal de bewijsleer van burgerlijk en strafproces vereenigd is. Onder de fransche schrijvers is Bonnier in zijn „Traité théorique et pratique des preuves en droit civil et en droit criminal" de Engelsch-Duitsche gedachte toegedaan.

„Onze wetgever — zegt Diephuis — heeft de meer materieele kant van het bewijsrecht in het Burgerlijk Wetboek, de meer formeele in het Wetboek van Burg. Rechtvordering geregeld". Ik acht de argumenten van dezen hoogleeraar niet sterk genoeg om mij met zijn gevoelen te kunnen vereenigen. Van bewijs is pas sprake in het proces. Welnu, daarmee teekent zich de geheele stof als regelbaar in het Wetboek van Burg. Rechtsvordering. Hoe vrijer het bewijs wordt, hoe meer het een regeling wordt van vormen. Echter, uitsluitend van vormen is hier niet sprake; wat ook niet behoeft om het bewijsrecht de volkomen eraan passende plaats in de Wetboeken van procesrecht te geven. Immers ook de thans reeds aanwezige inhoud van deze Wetboeken is niet een van louter vormen, maar eveneens zijn zij wel degelijk rijk in materieele bepalingen. Consequent in Diephuis' lijn zou het zijn het Wetboek van Burg. Rechtsvord. van nog tal van andere bepalingen te ontlasten en deze naar het Burg. Wetboek over te brengen. Hoe vreemd zou dat niet zijn 1

Sluiten