Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven kan worden, maar steeds de bizondere taal van de „act" in overweging genomen moet worden. In geen geval echter laat hij toe bewijs van mondelinge wijziging van het schriftelijke stuk.

Wij komen nu tot de tweede categorie van uitzonderingen , ten onzent beheerscht door art. 1434 B. W. Laat mij beginnen met een korte behandeling van dit artikel. In zijn aanvang zegt het, dat geen bewijs door getuigen wordt toegelaten tegen of boven den inhoud eener schriftelijke akte. Redelijkerwijze kan men partijen aan de door haar geschreven, althans onderteekende woorden gebonden achten. De aanvangszinsnede wordt dan nader verduidelijkt door het volgende : dat hetgeen men mocht beweren, dat vóór, ten tijde of na het opmaken van de akte zoude zijn gezegd, niet voor bewijs door getuigen vatbaar is.

Hoewel voor den regel veel te zeggen valt, komt het mij voor, dat dit principe te onbeholpen in dit 1934 is uitgedrukt en dat in de tweede plaats geen voldoende voorbehoud gemaakt is voor de vele uitzonderingen.

Verder stel ik terstond op den voorgrond, dat men in art. 1934 niet genoegzaam heeft doen uitkomen, of het alleen een regel geeft voor alles wat betreffen zou de oorspronkelijke handeling of overeenkomst in haar vollen omvang, dan wel ook het oog heeft op latere wijziging van het schriftelijke contract of later tenietgaan der uit het schrift voortgesproten verbintenissen.

Eenigszins twijfelachtig is dus de vraag, inhoeverre een handeling, tot stand gekomen tia die, waaromtrent

Sluiten