Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting van extrinsic evidence mee. Onze wet laat zich over soortgelijke gevallen niet voldoende uit; art. 1940 stelt slechts als algemeenen regel voorop, dat de bepaling van art. 1934 uitzondering lijdt in alle gevallen, waarin het uit den aard der zaak niet mogelijk was zich schriftelijk bewijs te verschaffen.

In de derde plaats moet ik nog even de woorden „tegen of boven den inhoud der schriftelijke akte" aantasten in verband met het gewoonterecht, het regelende recht en het dwingende recht. Reeds art. 1383 zegt, dat bestendig gebruikelijke bedingen geacht worden stilzwijgend in de overeenkomst te zijn begrepen, schoon dezelve daarbij niet zijn uitgedrukt. Was dit in art. 1934 reeds vergeten, dat hier boudweg neergeschreven werd: geen bewijs omtrent een vorderingsrecht boven den inhoud der schriftelijke akte.

Had hier geen voorbehoud gemaakt moeten zijn voor het gewoonterecht? Ontkend zal toch niet worden, welk een voorname factor dit in het verkeer is? Ik beweer niet, dat jure constituto ook maar eenigszins het bewijs van het gewoonterecht door art. 1934 B. W. belemmerd wordt, maar toch mis ik een gewenschte aanstipping van dit punt in het Nederlandsche bewijsrecht. Anders in Engeland, daar komt dit onderwerp wel degelijk hier ter sprake.

De regel is ginds te lande deze : bewijs van gewoonterecht wordt toegelaten om nieuwe termen aan het contract toe te voegen, mits deze toevoeging niet in strijd zij met de geschreven termen van het schriftelijke stuk1).

') Zie Smith. Selection of leading cases on various branches of the law, with notes (two volumes). 11e druk 1903 I. blz. 637/688.

Sluiten