Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanleiding tot het arrest van 6 Jan. 1902 W. 7710 gaf de getuigen-verklarir.g, dat A. trachtte B. in de vaart te duwen.

Als vierde voorbeeld neem ik het arrest van 10 Febr. 1902 W. 7725. Hier hadden getuigen verklaard, dat de schroef van een stoomboot snel sloeg, en daarna de boot in vaart verminderde.

De geoorloofdheid van de verklaringen nam de Hooge Raad aan in de gevallen 1, 3 en 4, doch niet in geval 2.

In geval 2 was liet den Hoogen Raad toch te kras, terwijl het er bij den adv.-gen. Mr. Ort nog best mee doorging. Volgens hem kon de omvang van het zaagvermogen der machine zeer goed aan den getuige, die haar werking had gadegeslagen, bekend zijn geweest. Rij de waarneming van den arbeid van personen en van de werking der machine kon aan getuigen het in vergelijking met handenarbeid grooter resultaat van het gebruik der machine zijn gebleken, en dit was voor Mr. Ort voldoende om dit getuigenis niet aan te merken als een bizondcre meening of gissing. De overweging van Mr. Ort was volkomen redelijk en praktisch, maar m. i. in strijd met art. 39S. 2e lid Sv.

Waar onze wet ten deze een vrij vage grens trekt, moeten wij zei ven moeite doen, die grens toch steeds in acht te nemen. Ik voor mij nu (ik erken dat het min of meer een vraag van persoonlijk oordeel wordt) zie in dit geval minder een loutere waarneming, dan wel een bizondere meening, bij redeneering opgemaakt. Te bejammeren valt echter de uitsluiting van een dergelijke deskundig-getinte verklaring zeker. Uit deze arresten blijkt, hoe onvast hier te lande de grens is; naar Engelsch recht ware hier nooit eenige moeilijkheid geweest. De des-

Sluiten