Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de toelaatbaarheid van het bewijs. Al ziet het kind de bcteckcnis van den eed nog niet in, dat is nog geen reden zijn getuigenis van nul en geencr waarde te verklaren.

Intusschen, dit punt is van ondergeschikte beteckenis. Waar de al-dan-niet-uitsluiting van het getuigenbewijs van werkelijk belang was, heeft het Engelsche recht oude fouten hersteld. Want evengoed als het vasteland heeft Engeland zijn uitsluitingen gekend. Aanvankelijk werden geheel geweerd personen, die een ernstig misdrijf gepleegd hadden, en personen, die bij den uitslag van het geding belang hadden. De eerste, die wees op de verkeerdheid van al die uitzonderingen, was Bentham. Terwijl hij onder zijn tijdgenooten weinig medewerking vond, hebben zijn ideeën later bij vele vraagstukken grooten invloed uitgeoefend. Op dit punt is zijn werk door verschillende personen hervat, in 't bizonder door Lord Denman en Lord Brougham. Laatstgenoemde bracht in 1833 de eerste wet tot wegneming der uitzonderingsbepalingen inzake de toelaatbaarheid van het getuigenbewijs tot stand. Niemand zou voortaan onbekwaam zijn getuigenis af te leggen, omdat het vonnis vervolgens bewijs voor of tegen hemzelf zoude opleveren.

Tien jaren later volgde een nieuwe schrede in deze richting, dankzij Lord Denman: getuigenbewijs toegelaten van alle personen, die totdusver uitgesloten waren wegens belang of misdrijf. De beperking bleef nu alleen bestaan voor partijen zelf en haar echtgenooten. Beide laatstgenoemde uitzonderingen werden het eerst opgeheven in de procedure voor den graafschapsrechter. In 1846 nl., ik deelde het reeds mee, kwam het tot de wedergeboorte van de in den loop der tijden geheel in het

Sluiten