Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bedenkelijke van den heerschenden toestand gaf vooral in Duitschland tot veel beweging en geschrijf aanleiding. Nog steeds echter zijn de geleerden verdeeld. De vraag maakte een onderwerp van bespreking uit op den 8sten en op den 23sten Duitschen Juristendag. De resultaten waren, dat de eerste maal de wenschelijkheid der invoering van het partijen-verhoor werd ontkend, doch de tweede maal met groote meerderheid werd uitgesproken.

Op dit punt bestaat onder de Duitsche schrijvers nog groote verwarring1). Onder hen ziet men het spreekwoord bewaarheid: zooveel hoofden, zooveel zinnen: de een wil beide gerechtelijke eeden handhaven, een tweede den decisoiren eed schrappen, den suppletoiren behouden, een derde de gerechtelijke eeden kalm laten bestaan, maar daarnaast het partijen-verhoor invoeren, een vierde de gerechtelijke eeden schrappen met vervanging door het partijen-verhoor. Ik maak in dit overzichtje geen aanspraak op volledigheid.

Hier te lande zijn ook reeds stemmen voor de invoering van het moderne instituut opgegaan, het eerst, naar mijn weten, die van Mr. Hingst in Nieuwe Bijdragen voor R. en W. 1874 blz. 114 e. v. (Over de persoonlijke bewijsmiddelen in het Engelsche en Nederlandsche recht). Daarna lieten zich verschillende juristen gunstig over het partijen-verhoor uit op den Nederlandschen Juristendag van 1878 (o. a. Mr. Levy, Mr. Pinner).

Het is wel opmerkelijk, dat de gerechtelijke eed zoo vaak met wantrouwen behandeld is, dat men in vele

l) Voor de literatuur kan ik verwijzen naar het praeadvies voor den 28sten Duitschen Juristen-dag, van von Canstein.

Sluiten