Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een streep gezet door het tusschenvonnis. Het Nederlandsche college spreekt liefst recht op de stukken. Het is soms, alsof het bang is verder in de zaak door te dringen. Niet-aanbieding van bewijs op een bepaald punt kan fataal zijn, want de rechter maakt van zijn bevoegdheid ambtshalve bewijs op te leggen een spaarzaam gebruik. Zooveel mogelijk wordt de zaak naar de conclusies zóó geconstrueerd, dat bewijs onnoodig is. Nu eens spreekt het vonnis van onvoldoende ontkentenis, dan weer van geen bewijsaanbod, of wel van de onbillijkheid, die er in gelegen zou zijn een der strijdende partijen den bewijslast op te leggen, enz. enz. Edoch, waar tijd bij de meeste rechters geld is, daar valt deze rechterlijke neiging niet te veranderen.

In zijn beschouwing van het Engelsche procesrecht is door Mr. Caroli o. m. gewezen op een belangrijke fout die het bewijs-intercutoir aankleeft. In de eerste plaats kan het verhinderen bij de (contra-) enquête vragen te stellen, die voor de beslissing van het geding van groot belang zijn, omdat ze niet passen in het kader van de feiten door het interlocutoir aangewezen1). Terecht noemt Mr. Caroli daarom het bewijs-interlocutoir een lastige sta-in-den-weg. En aan den anderen kant loopen de partijen, indien zij deze Charybdis willen vermijden, kans bewijs aan te bieden van naar 's rechters oordeel irrelevante feiten of van zoodanige, welke naar zijn meening niet nauwkeurig bepaald zijn. Het is waar, men kan in appel gaan, maar ware het nu niet honderdmaal beter op den trial, in mondeling debat, den rechter van de noodzakelijkheid van dit of dat

Zie Themis. 1899. blz. 31.

Sluiten