Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

Door verjaring kan uit een toestand, die in strijd is met de artt. 593 en 594 B. W., de erfdienstbaarheid van licht, lucht en uitzicht gevestigd worden.

VI.

Het voorrecht op onroerend goed, in art. 290 der Algemecnc Wet van 26 Augustus 1822 (S. 38) aan de schatkist toegekend, gaat boven hypotheek.

VII.

De vennootschap onder firma kan geen afzonderlijk vermogen bezitten in dien zin, dat aan dit feit bizondere rechtsgevolgen verbonden zouden zijn voor derden.

VIII.

In art. 339 B. W. moet het woord „moeder" worden opgevat in de betcekenis, daaraan in het spraakgebruik gehecht.

IX.

De bepaling in de statuten eener vereeniging, dat haar bestuur de bevoegde rechter is om te staan over geschillen, die rijzen naar aanleiding van de statuten dan wel van de besluiten van de vereeniging of van het bestuur, is niet rechtsgeldig.

X.

Waar voor de strafbaarheid een bepaalde hoedanigheid (b.v. ambtenaarschap) gevorderd wordt in den persoon van den pleger, geldt deze eisch evenzeer voor de strafbaarheid van hem, die het feit doet plegen.

Sluiten