Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevolking van 1829 tot 1839 niet meer dan 9,7%, en van 1839 tot 1849 slechts 6,9°/0.

„Deze aanmerkelijke verschillen zijn'', volgens de officiëele statistiek der bevolking, „hoofdzakelijk toe te schrijven aan de duurte der levensmiddelen gepaard met een min gunstigen gezondheidstoestand in 1846 en 1847, zijnde de bevolking in de laatste der beide jaren met 11,384 zielen afgenomen". ')

Dat de bevolking der genoemde steden alleen

o o

in deze laatste twee jaren en niet geregeld is verminderd, schijnt ons cchter nog niet zoo zeker. De geboorte was grooter dan heden, doch bij de hooge sterftecijfers van die dagen was er of geen of slechts een gering geboortenoverschot. 2)

In Amsterdam nam het aantal geboorten toe, behalve in 1847, toen het van 8449 in 1846 op 7140 gedaald was. Doch de sterfte overtrof de geboorte in 1832, 1833, 1834, 1835, i837, 1838, 1846, 1847, *848 en 1849. Het geheele geboortenoverschot bedroeg in de jaren 1840 tot 1849 slechts 1181 personen of V2 percent der bevolking. 3)

In Rotterdam was de toestand gunstiger. Daar

') Statistisch Jaarboek van 1851 pag. 17.

') Zie het jaarboekje van Lobatto van 1840 tot 1849. 3) Het geboortenoverschot is niet te berekenen over de periode 1830/1839, daar de gegeveDS voor 1836 ontbreken,

Sluiten