Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Nederlandsche fabrieksnijverheid kan helaas niets beters aantoonen.

Met moeite kan de nauwkeurige vorscher op de Veluwe een enkele papierfabriek, inTwenthe en Noord-Brabant het begin eener fabriekstextielindustrie ontdekken. In de steden wordt geen fabrieksnijverheid aangetroffen. „In Amsterdam schijnt de eigenlijk gezegde fabriekmatige nijverheid weinig ontwikkeld te zijn, zóó zelfs, dat men vermoedelijk slechts weinige steden van den eersten rang zal kunnen opnoemen, waar aller welvaart zoo geheel uitsluitend van handelsvertier afhangt". ') De katoenindustrie is uit deze stad verdwenen en kwijnt in Haarlem. In Leiden en

Utrecht traat de wolfabrica^e steeds meer achter-

ö Ö

uit, en de hoedenmakerijen in de groote Hollandsche steden worden verdrongen door de concurrentie van Noord-Brabant.

De volgende wereldtentoonstelling in 1856 te Parijs gehouden, toont aan, dat de Nederlandsche nijverheid weinig vooruitgegaan is. Hoewel zij een eenigszins beter figuur dan te Londen maakt, vallen haar in verhouding minder bekroningen dan aan de uitstallingen van andere landen ten deel.

Men heeft dit gedeeltelijk verweten aan een slechten vertegenwoordiger en aan de schrielheid

o o

') J. Kuypkr in De Economist van 1S52, p. 158

Sluiten