Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebouwd. Te Haarlem worden in 1858 eenige perceelen buiten de kom der gemeente opgetrokken.

Alleen in Rotterdam is de uitbreiding van

o

beteekenis. In deze periode is de gemeente aan den westkant uitgelegd, en zijn aan het Willemsplein, Maas-, Westerstraten en Veerkaden huizen en pakhuizen verrezen.

Doch al wordt er weinig gebouwd, toch begint men, zij het ook in geringe mate, de publieke werken te verbeteren en uit te breiden. Elk verslag maakt melding van nieuwe bestratingen met keien en klinkers in enkele deelen der stad. In de grootste steden worden in sommige hoofdstraten trottoirs gemaakt en putten en riolen op zeer bescheiden schaal in de voornaamste stadswijken verbeterd.

Het woningtoezicht bestaat evenwel nog niet. Rotterdam maakt er in 1858 een aanvang mede, de sluiting van sommige perceelen wordt er gelast.

Mooi kan men de Rotterdamsche woninsrtoestanden dan ook niet noemen.

Vele oude en ook wel nieuwe huizen zijn slecht en op onhygiënische wijze gebouwd. ')

I e Amsterdam is het niet beter gesteld. In 5,104 kelders worden op 1 Januari 1858 23,655 per-

') Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje 1858, p. 306.

Sluiten