Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geringe vergrooting der steden in dit tijdperk toont reeds aan dat haar bevolking weinig toegenomen is.

Volgens de volkstelling van 1849 tellen 's-Hertogenbosch, Nijmegen, 's-Gravenhage, Dordrecht, Leiden, Rotterdam, Amsterdam, Haarlem, Utrecht, Leeuwarden, Groningen en Maastricht meer dan 20.000 zielen.

Van 1849 tot 1859 neemt alleen het zielental van Amsterdam (8,6%), Rotterdam (i7,8°/o), 's-Gravenhage (8,4°/o). Utrecht (10,7°/o) en Dordrecht (9,io°/o) meer toe dan dat van geheel Nederland (8,25°/0). In de overige gemeenten stijgt het in geringere mate.

De onaanzienlijke vermeerdering der bevolking vloeit in de eerste plaats voort uit een klein geboortenoverschot. Dit verschilt in de onderscheidene gemeenten zeer; het hoogst is het te 's-Gravenhage (9,4°/0), het laagst te Leeuwarden (2,3%). Zelfs in de eerste stad bedraagt het nog niet één percent 'sjaars.

De geboorte is in dit decennium in alle steden gedaald of stationnair gebleven.

De sterfte is in deze periode nog zeer aanzienlijk, zoodat het geboortenoverschot zeer gering is. In 1855 en 1859 overtreft de sterfte in bijna alle steden de geboorte. In het eerste jaar kunnen 's-Gravenhage, Haarlem en Leeuwarden op een

Sluiten