Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten doen de stedelijke bevolking' ook zonder toevloed van buiten snel stijgen en zijn de voornaamste factor tot het accres geworden. In sommige steden, waar de uitbreiding van de middelen van bestaan met de vermeerdering van het zielental geen gelijken tred houdt, is een deel van het geboortenoverschot genoodzaakt weg te trekken, en overtreft de emigratie de vestiging.

De daling van het vestigingsoverschot, die in het laatste decennium der negentiende eeuw

o

plaats greep, heeft in de eerste jaren der twintigste eeuw over het algemeen aangehouden. Het vestigingsoverschot bedraagt te

Amsterdam Rotterdam

1900 3372 personen 7299 personen

1901 2614 „ 3776

1902 1096 „ 547

1903 55 » 2263

1904 1706

's-Gravenhage Utrecht

1900 3620 personen 595 personen

1901 2729 „ 1061

1902 1403 „ 102

19°3 3986 „ 398

De belangrijke vermindering is volgens de officiëele statistiek: „waarschijnlijk niet zoo zeer een gevolg van eene vermindering van den trek der plattelandsbewoners naar de groote steden,

Sluiten