Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schappij en voor het verbeteren van den toestand van overwonnen en onderdrukte rassen en stammen. Maar toch had het eene opvatting van den godsdienst, waaruit gemakkelijk verkeerde gevolgen kunnen voortvloeien.

De godsdienst in 't algemeen en ook het Christendom, werd beschouwd als iets, dat als 't ware aan het gewone leven was toegevoegd. Zoo lag in liet evangelisme dus eene strekking 0111 den godsdienst te scheiden van de aardsche dingen, die niet alleen als minderwaardig werden beschouwd, maar onwillekeurig min of meer verwaarloosd moesten worden.

Men hield zich weinig bezig met intellectueele vraagstukken, ook niet op godsdienstig gebied, daar het groote beginsel der evangelische theologie was, dat men niets wilde weten van een subjectieven maatstaf; immers de dogma's zijn waar of onwaar, 'tgeen enkel hiervan afhangt, of zij overeenkomen met wat door openbaring was gegeven, of met de verklaringen van eene niet gezag bekleede geloofsleer.

De Pressensé noemt de volgende kenmerken: het aannemen der woordelijke inspiratie van den bijbel; het gelooven in de verzoening door het passieve lijden van den Zoon Gods, die helsche straffen leed in plaats van de menschheid; eene geheel uitwendige toerekening van het offer aan het kruis door een geloof, dat meer leerstellig was dan mystiek; het vieren van den Zondag als een Joodschen Sabbat; het aannemen van de uitverkiezing van enkelen, terwijl niet zelden ziekelijke denkbeelden voorkwamen over het 1000-jarig rijk1).

Dit waren, meende men, de zuiver Christelijke leerstellingen; hierover viel verder niet te redeneeren; die hiervan afweek kon geen Christen zijn. Daarom achtte men wetenschap eigenlijk uit den booze, terwijl men zich ook met het politieke leven zoo weinig mogelijk inliet, daar dit behoorde tot de „wereld" en niets te maken had met den godsdienst, gelijk ook de liefde tot de

') De Pressensé, p. 287.

Sluiten