Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuur als eene zondige neiging werd beschouwd en veroordeeld werd als eene afgodische vereering van het schepsel.

Geen wonder, dat wij spoedig mannen zien optreden met ruimere cn breedere opvattingen van het godsdienstig leven,* ongeveer 1825') brak voor Engeland en Schotland eene periode van nieuw leven aan, die een 20-tal jaren duurde. Hier moeten genoemd worden mannen als Coleridge, Whately, Thomas Arnold, Erskine en Macleod Campbell ^).

John Tulloch geeft in zijn: movements of religions thought in Britain during the nineteenth century, enkele algemeene trekken aan, die al de genoemden min of meer gemeen hebben, en welke duidelijk het groote verschil met de evangelische opvattingen doen uitkomen.

Hij noemt het volgende: „het geloof aan God als een liefhebbenden Vader van alle menschen; de overtuiging, dat het godsdienstige leven zijn grond heeft in onmiddellijke aanraking met het Goddelijke, eerder dan in het aanhangen van eenige bepaalde vormen; de erkenning van het religieuze bewustzijn met zijn eigen rechten tegenover de openbaring, in 't bijzonder tegenover de scholastieke dogma's; het verlangen naar een meer levend geloof en het koesteren van een optimistisch katholiek ideaal in plaats van sektegeest en verdeeldheid 3)."

Omstreeks dezen tijd ook kwam er in sommige kringen een ernstige godsdienstige twijfel of ook zeer bepaald ongeloof aan het woord. Ik noem hier de beide Mill's, Lewes, Clough, Sterling, Matthew, Arnold en George Eliot. Wie nu op dezen weg van heele of halve ontkenning geen bevrediging

') Zie: movements of religions thought in Britain during the nineteenth century 1820—1860, St. Giles' leclures by John Tulloch, New\ork, Charles Schribner's sous, 1901; 1825, omdat in dit jaar verscheen van Coleridge: Aids to Reflexion, zie Tullock, p. 254.

2) In sommige opzichten kunnen ook Newman en Pusey tot hen gerekend worden.

s) Tulloch, p. 167,

Sluiten