Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zulk een geloof, dat slechts berustte op wonderen zou zeer veel overeenkomst vertoonen met eene vereering van het miraculeuze, waarin vroeger voornamelijk de godsdiensten der heidenen bestonden. Een zoodanige godsdienst echter moet uit den aard der zaak wel een zeer beperkt bestaan bezitten, daar hij noodzakelijk ondermijnd wordt door het leeren kennen der natuurwetten, aangezien de verwondering- en vereeringwekkende verschijnselen meer en meer worden ondergebracht in het kader van oorzaak en gevolg.

Terwijl men eerst gelooft in het bovennatuurlijke en een persoonlijken Werker aanneemt als de Oorzaak van alle verschijnselen, komen hiervoor langzamerhand metaphysische abstracties in de plaats, die als Oorzaken worden beschouwd, en dit geheele proces eindigt in de overtuiging, dat men niets anders kent dan de door ervaring verkregene kennis van oorzaken en gevolgen, en in de bewering, dat het Absolute onkenbaar is. Wanneer de godsdienst alleen bestaat in eene vereering van het wonderbare, blijft er voor het menschlijk geslacht niets anders over dan „blank and ghastly Atheism", daar de wetenschap de Oorzaak der oorzaken steeds verder en verder terugschuift, totdat het verstand moet bekennen, dat wij „Het" niet kunnen vinden i).

Maar dit alles berust, volgens Robertson, op twee geheel verkeerde veronderstellingen.

Immers, een wonder mag niet worden opgevat als „more glory", maar alleen als „glory more manifested." In een wonder toont God alleen duidelijk zijne tegenwoordigheid om ons te herinneren , dat Hij ook werkt, wanneer geen wonder wordt gezien. „The Marvellous is to show the source of the Common", en het moet ons doen beseffen, dat alles wonderbaar is, zoodat men ook de gewone dingen als wonderen moet beschouwen en als „pervaded with a Divine Presence." „Het is een boos en overspelig geslacht, dat een teeken vraagt" en eveneens: „als zij Mozes en de Profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware

') Sermons I, p. 208—210.

Sluiten