Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreken wij van godsdienstig geloof, al noemen wij het slechts eene voorzichtigheid op grooter schaal, en al blijft het ten slotte zelfzucht. Toch is het eene noodzakelijke schrede voorwaarts in den ontwikkelingsgang van het geloof. „God is een Belooner dergenen, die Hem zoeken"; het kan wel niet anders of er moet een tijd zijn, dat deze belooningen in 's nienschen voorstelling een Mohammedaansch karakter vertoonen. Dan hebben wij evenwel eerst recht te spreken van Christelijk geloof, - wanneer Christus het voorwerp is van ons geloof, wanneer wij zijn verzekerd, dat Jezus de Christus is, d. w. z. dat hij de Gezalfde is, dat zijn leven het „gezalfde leven" is, het eenige gezegende leven, het goddelijke leven, niet alleen voor dertig jaren, maar voor alle eeuwigheidi). Hij, die dit verstaat, gevoelt, dat kwaad een hel is, — dat God liefhebben, aan Hem gelijk zijn, den Christusgeest bezitten, onzen hemel uitmaakt.

Robertson nam hier in het bovengenoemde als motief van handelen aan: de poging om smart te verminderen of de vreugde te vermeerderen, zoodat het geloof slechts bestond in eene zekere mate van voorzichtigheid. Maar aan het leven kan ook een hooger doel worden gesteld, waar van een: „alle dingen zijn mogelijk hem die geloofd" sprake kan zijn, 't geen voortspruit uit een vast vertrouwen en eene stellige hoop, en dien geest kweekt, welke het woord „onmogelijk" nooit op de lippen doet nemen, steeds verzekerd is van welslagen en de glansrijkste overwinningen heeft tot stand gebracht 2).

Zoo is ook het geloof een „vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet"; zoo wordt ook hier gevonden 3), dat zelfvertrouwen, hetwelk zich met kalmte kan verlaten op de beginselen, die het diepst in ons zijn geworteld, de overtuiging, dat, wat het meest waarachtige in ons is,

') Zie ook Sermons II, p. 293.

2) Sermons IV, p. 98.

3) „ I, pp. 238-241.

6

Sluiten