Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men de zonde in zichzelf of in anderen veroordeelen, wanneer zij noodzakelijk is? Is God niet de Oorzaak van alle dingen?

Robertson spreekt hier van eene vreeslijke tegenstrijdigheid, welke bestaat tusschen de taal van het geweten en de uitspraak van ons verstand1). Want al zegt ieders zuiver geweten, dat er in deze redeneering ergens eene fout moet schuilen, zoo kan men deze toch niet met het verstand aantoonen-).

Bovendien, het is niet te ontkennen, dat er eene zekere waarheid in ligt opgesloten3). „There was an everlasting truth in what our Messiah said to the moral Pharisees: The publicans and the harlots go into the kingdom of God before you". Zonde kan eene schrede zijn op den weg naar den hemel.

Maar dit neemt toch niet weg, dat het zuivere geweten misdaad en deugd niet als woorden voor dezelfde zaak kan beschouwen, al komt in ieders leven wel een tijd, dat men voelt deze tegenstrijdigheid niet te kunnen oplossen. Wij moeten echter bedenken, dat, wat wij kwaad noemen, dit ook voor God moet zijn, want deze gedachte dringt zich aan ons op naar mate wij onzen plicht werkelijk betrachten. Zoo kan ik niet de schuld op anderen of op bepaalde omstandigheden werpen, maar moet ik spreken van mijne overtreding, mijne zonde.

Eenige merkwaardige bladzijden vinden wij over „den oudsten zoon" van Lucus 15, en over „de negen en negentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben"^). Gewoonlijk wordt de eerste opgevat als de teekening van den Phariseër, de laatste uitdrukking als een ironisch gezegde.

Beide geschiedt echter volgens Robertson geheel ten onrechte.

In de teekening van den oudsten zoon, zegt hij, hebben wij voor ons eene beschrijving van een dier gelukkige menschen, die van af

]) Sermons II, p. 89.

2) » V, p. 218.

s) » IV, p. 183.

4) Zie voornamelijk Sermons III, pp. 271—275 en V, pp. 310—312.

Sluiten