Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieruit volgt reeds, dat het niet de dood op zich zelf is, die verzoening aanbrengt. Er is, zegt Robertson, geene bijzondere voortreffelijkheid in den dood als zoodanig. Bloed kan God niet behagen. Zou God het bloed van den rechtvaardige kunnen wenschen, zijn dood, zijn lijden? Men heeft het wel eens voorgesteld, alsof de majesteit van de wet een offer vroeg; en werd hieraan voldaan, dan was het goed. Men mag God echter niet tot een Caiaphas maken en Hem denkbeelden toeschrijven, die beter passen bij den onbeteugelden toorn van Saul, die David wil treffen, maar hierin teleurgesteld, nu zijn woede koelt door zijn spies naar Jonathan te slingeren.

Neen; God kan alleen worden voldaan door wat betrekking heeft op geweten en wil, door de overgave van den eigen wil, hetgeen door Christus is geschied.

Men kan dan ook niet zeggen, dat Christus zijns Vaders Toorn stilde, maar het was Gods oneindige Liefde, die de wereld verloste, daar God door hem in de menschheid neerdaalde. De dood van Christus is eene afspiegeling van de liefde van God; in zijn dood zag God zijn eigen Liefde. God is Liefde. Liefde is opoffering. Het gansche Goddelijke Leven is een stroom van Goddelijke zelfopofferende Liefde. De Schepping is opoffering, zelf-mededeeling van het Goddelijke Zijn. Zoo is ook de verlossing opoffering, anders kan zij geen liefde zijn; de dood van Christus was het offer van God, de openbaring in den tijd van datgene, wat de eeuwige wet van zijn Leven is. Om die reden schonk de zelfopoffering van Christus voldoening aan God.

Dit offer nu, was plaatsvervangend, was eene handeling gedaan voor anderen. Want Christus was: „the representative of humanity", „the reality of human nature" „the realized idea of our humanity", „God's idea of man completed", zoodat God de menschheid aanziet in Christus.

Robertson gebruikt ter verduidelijking zijner bedoeling verscheidene voorbeelden, waarvan ik een zal overnemen.

Wie nooit planten zag dan in het hooge Noorden, heeft

Sluiten