Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. ROBERTSON ALS PREDIKER.

In de biographische aanteekeningen heb ik reeds enkele uitdrukkingen aangehaald, waarin Robertson zich over zijn ambt uitliet op eene wijze, alsof hij het de grootste beproeving achtte, die hij kende en heb daar reeds met enkele woorden aangeduid, hoe wij dit hebben te beschouwen. In aansluiting daaraan wil ik thans uitvoeriger zijne beschouwingen over het predikambt meedeelen.

Want al mogen wij deze ongunstige oordeelvellingen dikwijls overdreven noemen, — hetzij, omdat opgedane ervaringen hem ten onrechte wantrouwen inboezemden met betrekking tot zijne gansche gemeente, hetzij, omdat hij ze neerschreef in een toestand, waarin hij zich gevoelde „as languid and wretched as a lady who has come down from her room at 11 A. M., pale and wan after an evening of dissipation" i), - toch ligt aan dit oordeel mede ten grondslag zijn scherpe blik op de groote gevaren en moeilijkheden, welke dit ambt in zijn oog met zich bracht.

Hij gevoelde het allereerst als een zeer zwaren last, dat de predikant gedwongen wordt over allerlei onderwerpen zijne meening te geven; juist wij, Engelsche predikanten, zegt hij 2), zijn dikwijls het minst bekwaam om te kunnen oordeelen over menig vraagstuk, omdat wij gewend zijn te verkeeren in den kleinen kring van hen, die welwillend, vertrouwend en vereerend naar ons luisteren, en aldus weinig in aanraking komen met de werkelijkheid van het leven. Wij vergeten het maar al te dikwijls, dat het geheel

1) Life and Letters, p. 386.

2) Sermons II, p. 167.

Sluiten