Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrijvingstijdperk de buikpers in werking treedt en de abdominaalspieren in functie gesteld worden. Bovendien worden nu de weeën frequenter en krachtiger en wordt dus meer, zelfs veel meer arbeid verricht dan in de ontsluitingsperiode, zelfs al wil men eene meerdere zweetsecretie in het uitdrijvingstijdperk in rekening brengen.

Eigenaardig is verder, dat de koorts blijkens de gevallen van Sommer herhaaldelijk niet optrad, terwijl de weeën of de werking der buikpers sterk waren, maar juist omgekeerd na een lange weeënpauze. Was eenmaal koorts geconstateerd, dan werden de weeën weer krachtiger.

Glöckner drukt hier minder op en vindt, dat in 57.8 % de weeën goed te noemen waren; echter wijst ook hij er toch op, dat hij de temperatuur 3 maal na eene bijzonder lange weeënpauze zag stijgen.

Sommer vond in 61.18 °/0 (52 maal) weeënzwakte.

Krünig in 50 °/0.

Ihm vond in 15 van 16 gevallen met koorts weeënzwakte.

Onze waarnemingen geven in 57.14 °/o (12 maal) t. w. in No. I, II, IV, VIII, X, XI, XIV, XVI, XVII, XVIII, XIX, XXI weeënzwakte.

Ook merkwaardig is, dat, terwijl men zou verwachten, dat het meeste primiparae door de functioneele koorts zouden gekweld worden, want juist bij hen duurt de partus het langst en hebben de weeën den meesten arbeid te verrichten, volgens Sommer slechts in 34.12 °/o een primipara durante partu koortsde.

Van de 211 vrouwen, waarover Glöckner verslag geeft, waren slechts 84 primigravidae. Wij vinden 16 maal koorts bij een primipara, dus in 76.19 °/0, nl. in geval No. II,

Sluiten