Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al ligt het in verband met de uitdrukking voor de frequentie

der eigen trillingen ^q1 — voor de hand te denken aan

de eerstgenoemde oorzaak, toch zal nader experimenteel onderzoek noodig zijn om deze quaestie te beslissen.

Van het overwinnen der moeilijkheden, aan dit onderzoek ongetwijfeld verbonden, kan men als resultaat verwachten, dat het ons in staat zal stellen de voorstellingen over het wezen der materie meer te praeciseeren.

De weg dien men zal kunnen inslaan is reeds door Lorentz ') aangewezen. Nemen we namelijk aan, dat de hier beschouwde electronen de zelfde zijn als die welke de uitstraling te weeg

brengen, dan kunnen we de grootheden en — vinden door

m, mt

metingen over het verschijnsel van Zeeman. Zijn op deze

Ne% e

wijze voor een electronengroep zoowel als bekend dan

mm

kunnen met behulp van schattingen over N daaruit e en m berekend worden.

Voor de electronen, die in natriumdamp voorkomen vindt men als e in dezelfde eenheid, die wij nog steeds gebruikt

hebben, wordt uitgedrukt — = 17.1017. De golflengte der

natriumlijn (/.' = 3,47.10 ~~ 9) verschilt echter te veel van die,

Ne2

welke voorkomen bij de electronengroepen, waarvoor we

m

bepaald hebben, om eene behoorlijke vergelijking mogelijk te maken. Alleen kunnen we besluiten, dat m veel kleiner zal zijn dan de massa van een atoom.

Ne1

Uit de waarden die wij voor gevonden hebben blijkt

nog, daar deze alle zeer klein zijn in vergelijking met pJ, dat s zeer klein is in vergelijking met «, (zie hoofdstuk V § 12).

H. A. Lorentz. Over verschijnselen die met de massa der ionen in verband staan. Zittingsverslagen der K. A. v. W. te Amsterdam VI pag. 500.

Sluiten